|
Waar komen de extra slibstortplaatsen? |
|
|
|
|
Parlement -
Parlement
|
In de commissievergadering voor Leefmilieu en Natuur, Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en Ruimtelijk Ordening en Onroerend Erfgoed vroeg Kurt De Loor uitleg aan minister Kris Peeters over de keuze van extra locaties waar baggerspecie zou kunnen gestort worden. Een aantal gemeentes maakt zich daarover ongerust.
Vanuit Afdeling Waterlopen en Zeewegen van de Vlaamse Gemeenschap loopt een onderzoek en procedure tot afbakening van locaties waar baggerspecie kan gestort worden. Daarbij worden twee sporen ontwikkeld om tot een voldoende aantal locaties te komen: enerzijds het positieve spoor met gebieden waar probleemloos baggerspecie kan gestort worden; het gaat dan om restgronden van de Vlaamse overheid, reconversieterreinen, oude kleiputten en andere brownfields, en anderzijds het negatieve spoor waarbij bijkomende gebieden worden geselecteerd voor het geval het eerste spoor te weinig stort-capaciteit oplevert. Dit gebeurt op basis van eliminatie. Zo komen woongebieden of water-win-gebieden uiteraard niet in aanmerking. Uiteindelijk zou dat in totaal 36 locaties moeten opleveren; 31 locaties uit het positieve spoor en 5 uit het negatieve spoor.
Het is het tweede spoor dat tot ongerustheid leidt bij diverse gemeenten en lokale groepen. Er werd een maatschappelijke acceptatiegroep samengesteld. Aan hen werd een eerste lijst van 150 locaties voorgelegd met de vraag om advies te geven. Dit resulteerde in een tweede lijst van 36 locaties. Deze lijst werd voorgelegd aan diverse intercommunales en provinciebesturen wat dan weer resulteerde in een derde lijst van 16 locaties. AWZ zou uit deze lijst tegen eind januari 2005 uiteindelijk 5 locaties kiezen die verder zouden onderzocht worden. Verder onderzoek betekent concreet dat de 36 locaties in 2005 zullen onderworpen worden aan een milieu-effect-rapportage (MER). De Vlaamse regering dient dan een beslissing te nemen over de definitieve locaties. Nadien moet er een Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt worden. Heel deze procedure duurt 1 jaar.
Omdat er inmiddels nog steeds niets bekend is over de vijf geselecteerde gemeentes stelde Kurt De Loor enkele vragen aan Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Zo vroeg hij of er al locaties geslecteerd werden en op welke basis de selectie dan wel gebeurde, hij vroeg zich af of het niet beter zou zijn om de locaties te kiezen na de goedkeuring van het sectoraal uitvoeringsplan bagger- en ruimingsspecie en, tenslotte, wou hij ook weten wat de minister dacht over de mogelijkheid tot recyclage van de gebaggerde specie. De minister reageerde op dit alles nogal ontwijkend en kon over de locaties en de selectieprocedure weinig meer kwijt dan dat er nog geen beslissing genomen werd en dat vooral budgettaire redenen aan de basis zouden liggen voor een beslissing. Wordt dus zonder twijfel vervolgd!
|